De (gebrekkige) sneeuwsituatie in de Alpen uitgelegd

Spread the love

Het zal velen niet zijn ontgaan: de sneeuwsituatie in de Alpen laat nogal te wensen over. De meeste sneeuw ligt uiteraard op de hoogste pistes, maar het is veel minder dan gebruikelijk. Dit heeft een aantal oorzaken, waar we je graag even mee naar toe nemen. De oorzaken zijn te vinden in droogte door het simpelweg uitblijven van neerslag en door (zeer) zachte lucht. In het geval van droogte is hier voor de skipistes nog wel iets aan te doen in de vorm van “technische sneeuw”, vaak “kunstsneeuw” genoemd.
Echter, deze vorm van sneeuw heeft zijn specifieke nadelen: deze is zeer lokaal en heeft nog altijd kou nodig om geproduceerd te worden.
Maar wat is nu de drijvende kracht dit seizoen voor de achterblijvende sneeuw? Een blik op de weerkaarten laat het zien!

De basisprincipes voor berg-winter-weer

Het winterseizoen begon hoopvol: in september was er reeds een koudere episode met sneeuw tot in de dalen. In oktober en november werd dit echter ruw verstoord: het was droog en warm. Alle sneeuw van september is verdwenen. Dat is niet ongebruikelijk uiteraard: het komt zelden voor dat de eerste sneeuw na de zomer het overleeft. Zeker niet in de dalen.
Maar vanaf november ligt er doorgaans in het hooggebergte wel sneeuw (omdat het op hoogte kouder is en er meer neerslag valt door stuwing). Dit seizoen was het anders; al kwam er verlossing in december. Om onderstaande kaarten beter te kunnen duiden, zal ik eerst wat basisprincipes uitleggen.
De belangrijkste is de windrichting: op het noordelijk halfrond waait de wind met de klok mee rondom een hogedrukgebied, en tegen de klok in bij een lagedrukgebied. Voorts waait de wind altijd van hogedruk naar lagedruk.

In het winterhalfjaar (van oktober tot april) is de wind uit het oosten kouder dan uit het westen. Echter algemeen geldt dat een noordelijke component altijd koeler is dan een zuidelijke. Vergelijk een noordwestenwind met een zuidwestenwind. Het meeste vocht komt uit het westen, behalve aan de zuidzijde van de Alpen: daar komt het vocht vanaf de Middellandse Zee.

De Alpen zijn sneeuwrijk bij een noordwesten-wind, maar krijgen ook veel neerslag bij een westelijke wind. De zuidelijke winden brengen wel vocht, maar ook hoge temperaturen.
De dikte van de pijlen geeft de potentiële neerslagintensiteit, de kleur de relatieve temperatuur

Lokale effecten van de neerslag

De lokale effecten zijn groot: een westelijke stroming levert veel neerslag op in de Franse Alpen, het Berner Oberland en de Allgauer Alpen, maar dankzij de zogenaamde neerslagschaduw slechts weinig neerslag aan de oostzijde van de Alpen.

Een doorstaande west-circulatie zorgt voor veel sneeuw in de Alpen. 2022 eindigde echter met een flinke zuid-westcirculatie, waarbij er warme lucht vanaf de evenaar naar het noorden stroomde.

Een kleine draaiing naar het noorden geeft direct een groter “bereik” van de neerslag op. Bij een verdere ruiming van de wind richting het noorden zal een groter deel van Oostenrijk bereikt worden. Dit is de zogenoemde Nordstau, waarbij de noordzijde van Alpen indrukwekkende neerslaghoeveelheden kan ontvangen.

Een kleine draaiing naar het noordwesten zou al zorgen voor veel neerslag over een groter gebied.

Uiteraard is het zelden het geval dat de stroming over een groot gebied puur westelijk is: de drukgebieden hebben allerlei vormen en andere parameters.

De kaarten van de afgelopen tijd

Begin december tot grofweg midden december hadden we te maken in Europa met een hogedrukgebied boven Groenland, die zorgde voor kou aan de oostflanken van dit hoog. Boven het continent lagen enkele complexe lagedrukgebiedjes welke regelmatig voor neerslag zorgden boven het Alpengebied. Onder relatief kalme condities is het in sommige gebieden zelfs tot extreme vorst gekomen: meer dan 25 graden vorst in de Franse Vercors en tot -40 in Zwitserse “kaltluftsees”, specifieke plekken waar het extreem kan afkoelen.

Na 18 december veranderden de omstandigheden. Een lagedrukgebied ontstond op de oceaan op 15 december en maakte de oversteek naar Europa. Dit was het spreekwoordelijke begin van het einde.

Achter dit lagedrukgebied ontstond een hogedrukgebied op de oceaan, waardoor het een komen & gaan was van depressies met neerslag en veel zachte lucht. Het hoogtepunt (of dieptepunt) tot nu toe was de recordwarme jaarwisseling in het westen en centrale deel van Europa. Opmerkelijk, maar logisch: IJsland beleefde één van de koudste decembermaanden sinds het begin van de metingen.

Bovenstaande “setting” is enkele dagen lang aanwezig geweest. Op oudjaarsdag was het droog boven het grootste deel van de Alpen. Maar enkele dagen eerder viel er flinke neerslag in het westen en zuidwesten. Op onderstaande kaart is duidelijk te zien waar de grootste pijnpunten lagen. Het (zuid)oostelijk Alpengebied is aardig gespaard gebleven door het uitblijven van langdurige regenval, maar desondanks ligt de vorstgrens op (relatief) grote hoogte.

Wat betekent dit voor de rest van het winterseizoen?

Het gebrek aan sneeuw zegt nog weinig over de rest van het winterseizoen qua sneeuwval. Het kan nog gemakkelijk tot grote hoeveelheden sneeuw komen in de bergen de komende maanden. Het seizoen duurt immers tot april, het moment waarop doorgaans de grootste sneeuwhoogte wordt bereikt.
Maar een groot deel van het seizoen en zeker de basis in de dalen is reeds verloren gegaan. Het gebrek aan kou zorgt er voor dat er in de dalen geen sneeuwkanonnen ingezet kunnen worden. Anderzijds zijn de plekken waar sneeuwkanonnen wél ingezet kunnen worden beperkt: de pistes zijn smaller en de bossen en stukken buiten de piste zijn (gedeeltelijk) sneeuwvrij.

In de Dolomieten en oostelijk Oostenrijk is de situatie beter, al is de sneeuwlaag niet per se dikker.
Voor het aankomende hiking-seizoen betekent het wellicht al vroege toer-mogelijkheden in april en mei, omdat de gebieden onder de 2000 meter snel sneeuwvrij kunnen zijn, zelfs bij een normale lente.

Laat een reactie achter